Heeft u het al gehoord?  De BVBA werd een BV.  Het begrip ‘startkapitaal’ viel sedert 1 mei weg. 
U hoeft geen 18.600 euro of 6.200 euro (bij meerdere vennoten) meer op te hoesten als u de overstap wil maken naar de meest voorkomende vennootschapsvorm.

Op 1 mei 2019 ging het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) in voege en dat was nogal een ‘big deal’ in het vennootschapslandschap.

Bestaande vennootschappen moeten niet vrezen; er verandert niet meteen zo veel.  Op termijn (tegen 01.01.2024) dient elke vennootschap zijn statuten aangepast te hebben naar de nieuwe wetgeving maar de kans is groot dat u in tussentijd een statutenwijziging zal doorvoeren (naamswijziging, doelwijziging, e.d.).  U kan u op dat moment in orde stellen.

Nieuwe oprichtingen zullen echter wel al onder de nieuwe wetgeving vallen. 

Wanneer u dus naar de boekhouder of notaris stapt om een BV op te richten, zal er in plaats van een ‘startkapitaal’ gesproken worden over een ‘aanvangsvermogen’.   
Dat aanvangsvermogen bestaat uit een inbreng in de vorm van geld, activa of expertise. 

 

De oprichters dienen er op toe te zien dat de BV over een eigen vermogen beschikt dat, mede gelet op de andere financieringsbronnen, toereikend is in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid.

 

Hoeveel is ‘toereikend’?

Het concrete antwoord hierop hangt af van heel wat factoren zoals sector, activiteit, investeringen, prognose van de inkomsten, enz…  Het bedrag zal dus verschillend zijn per oprichting en wordt bepaald volgens de specifieke situatie en de behoeften van de vennootschap. 

Het aanvangsvermogen moet verantwoord worden in het op te stellen financieel plan.  Uw intenties worden in dit financieel plan cijfermatig berekend en verantwoord.

De oprichting van een BV kan financieel dus een stuk minder zwaar uitvallen dan vroeger, maar zoals altijd heerst het ‘bezint eer ge begint’-principe.  Het spreekt voor zich dat u bij dergelijke beslissingen best eerst advies inwint bij Gevimar.